Begrijpend Zingen – Psalmen 56-59 Red mij van mijn vijanden, o mijn God

Op de pagina Begrijpend Zingen komen de psalmen 56-59 aan de orde. Het is
de moeite waard in deze overdenking wat dieper in te gaan op Psalm 59. David
bevindt zich in grote moeilijkheden, zelfs fysiek gevaar, want hij bidt:
“Red mij van mijn vijanden, o mijn God; beveilig mij voor hen die tegen mij opstaan; red mij van de bedrijvers van ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds. Want zie, zij loeren op mijn leven; sterken willen op mij aanvallen” (vs. 2-4a).
David speelt harp voor Saul, schilderij van Rembrandt
David speelt harp voor Saul, schilderij van Rembrandt

Volgens het opschrift in vers 1, verwijst hij naar een gebeurtenis die in 1 Samuël 19 wordt beschreven.

Saul probeerde David te doden en had mannen naar het huis van David gestuurd, om hem in de gaten te houden:
“En Saul zond boden naar het huis van David om het te bewaken en hem ‘s morgens te doden. Maar Mikal, de vrouw van David, deelde hem mee: Indien u vannacht uw leven niet weet te redden, zult u morgen ter dood gebracht worden” (1 Samuël 19:11).
David beschrijft deze mensen in de verzen 7 en 8 van de psalm als rondlopende honden:
“Des avonds komen zij terug, zij huilen als honden en lopen de stad rond. Zie, zij smalen met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen, want – wie hoort het?”
De toestand van David en zijn gebed
De meesten van ons zullen niet zo gemakkelijk kunnen voelen wat David ervoer. Wie is zich werkelijk zo bewust geweest van gevaar voor eigen leven? Ja, wij lopen risico’s. Wij kunnen een dodelijk verkeersongeluk krijgen, of tijdens het skiën door een lawine bedolven worden. De kans is klein, maar het kan.
David bevond zich echter niet in een zelfgekozen situatie. Het ging bij hem om de vijandschap van anderen. Daar kunnen ook wij mee te maken krijgen. Wij hoeven niet ver te gaan – in tijd of plaats – om mensen te vinden die gevaar lopen of liepen hun leven te verliezen. Nog maar 70 jaar geleden was dit land bezet. In zo’n situatie kon u opzettelijk worden gedood, als u zich verzette, of gewoon zomaar, omdat de bezetter wraak voor iets wilde nemen. En als u Jood was, waren uw kansen om te overleven wel heel erg klein. In Iran loopt ook nu ieder die christen wordt, grote kans zijn leven te verliezen. Hoewel wijzelf nog in relatieve veiligheid leven, is de mogelijkheid om, zoals David, de dood onder ogen te moeten zien altijd aanwezig. En wie weet wat voor veranderingen er nog gaan plaatsvinden, als de wereld – in de aanloop naar de wederkomst van Christus – een onrustiger en gevaarlijker plaats zal worden.
Maar David bidt tot God om verlossing van hen die hem willen doden:
“Red mij! Beveilig mij! Verlos mij!”
David zegt dat hij niets verkeerds heeft gedaan om zo vijandig behandeld te worden; dus vraagt hij God hem te rechtvaardigen. Hij vraagt God op te staan en iets te doen om hem te helpen, zodat zijn vijanden inzien dat hij onschuldig is. Hij gebruikt het beeld van honden, die in de nacht door de stad lopen (vs. 6-7). Hun mond is vol belediging en bedreiging. Maar David voelt zich veilig in zijn bescherming door God. Hij zegt dat God hen uitlacht (vs. 9); dat God zijn sterkte en zijn burcht is (vs. 10), en hem de overwinning zal geven (vs. 10). David vraagt drie dingen van God. Ten eerste hen niet te vernietigen (vs. 12) – omdat de mensen dan snel zouden vergeten wat er was gebeurd – maar hen tot een voorbeeld te stellen, zodat anderen hier iets van zouden leren. Ten tweede dat hun zonde wordt bestraft (vs. 13), om het rechtvaardige oordeel van God te tonen. En hij herinnert vooral aan de zonde van hun mond: het (ver)vloeken en liegen. Dat is naar Davids mening erger dan de fysieke bedreiging van zijn leven. En ten derde, dat de regering van God zal worden gezien door alle mensen (vs. 14). Vooral dat laatste laat zien dat David hier aan meer denkt dan alleen die gebeurtenis in 1 Samuël 19.
Vermoedelijk schreef hij deze psalm toen hij inmiddels koning was geworden. Hij overdacht deze gebeurtenis als een eerder moment in zijn leven. Hij begint met zijn bede van toen – “red mij” – maar dan past hij, als vertegenwoordiger van het volk Israël, deze principes toe op de hele natie, en vraagt of God hen wil redden van hun vijanden. Hij gebruikt uitdrukkingen als “mijn volk” (vs. 12), “om al de heidenen te straffen” (vs. 6), en “opdat zij gewaarworden, dat God heerst in Jakob, tot aan de einden van de aarde” (vs. 14). In de verzen 15-16 komt het beeld van die honden weer terug, maar met een klein verschil: nu
grommen en brommen zij alleen nog maar, alsof zij nu onderworpen zijn. Daarna zien wij het vertrouwen van David op God, die zijn sterkte en zijn burcht is. In vers 11 was David zeker dat God hem zou gaan redden; maar in vers 17 prijst hij God, omdat hij hem heeft gered. De toekomende tijd is nu verleden tijd geworden. En hij zingt deze lofzang:
“Mijn sterkte, U wil ik psalmzingen; want God is mijn burcht, mijn goedertieren God” (vs. 18).
Verlossing uit de dood
David werd gered. Het lukte hem te vluchten; en hoewel hij werd ontdekt greep God in (1 Samuël 19:11-124). God verhoorde zijn gebed. In dat verband kunnen wij ook denken aan anderen die van de dood werden gered. Petrus bijvoorbeeld, die werd gevangengezet:
“En omstreeks die tijd liet (Herodes) Jakobus, de broeder van Johannes, ter dood brengen met het zwaard; en toen hij zag, dat dit de Joden welgevallig was, ging hij voort en nam ook Petrus in hechtenis (Handelingen 12:1-3).
Herodes doodde Jakobus, en hij zette Petrus in de gevangenis, want hij was van plan ook hem te doden. Maar voordat hij de kans had dat te doen, kwam een engel en bevrijdde Petrus:
“En Petrus … zei: Nu weet ik waarlijk, dat de Here zijn engel uitgezonden heeft en mij gerukt heeft uit de hand van Herodes en uit al wat het volk van de Joden verwachtte” (Handelingen 12:11).
Waarom redde God Petrus, maar Jakobus niet?
Paulus overleefde verscheidene pogingen hem te vermoorden. Meteen al in Damascus beraamden de Joden een plan hem te doden. Zij bewaakten dag en nacht de stadspoorten, maar net als David ontsnapte Paulus, toen de broeders hem in een mand over de muur lieten zakken (Handelingen 9:23-25). Paulus overleefde dit, evenals vele andere hachelijke momenten. En toch werd ook hij uiteindelijk ter dood gebracht – tijdens de regering van Nero, een paar jaar nadat het verhaal van Handelingen eindigt.
Waarom de ene keer wel en de andere keer niet?
Waarom redde God Paulus van al die eerdere aanslagen op zijn leven, maar niet van die van Nero? Misschien kunnen wij inzien waarom. Na zijn bekering in Damascus, liet Jezus Paulus door middel van Ananias weten:
“Deze is Mij een uitverkoren werktuig om mijn naam te brengen voor heidenen en koningen en [de] kinderen van Israël” (Handelingen 9:15).
Paulus was uitgekozen om voor God een taak te verrichten. Als hij in Damascus was gestorven, had hij daar niet eens mee kunnen beginnen. Het is in de Handelingen heel duidelijk dat Jezus de gebeurtenissen leidde, toen het evangelie vanuit Jeruzalem over de gehele Griekse wereld werd verspreid. Dat zien we tijdens Paulus’ tweede reis door Klein-Azië. Zij
“werden door de Heilige Geest verhinderd het woord in Asia te spreken” (Handelingen 16:6).
Daarna
“poogden zij naar Bitynië te reizen, maar de Geest van Jezus liet het hun niet toe” (Handelingen 16:7).
Uiteindelijk bevonden zij zich in Troas, aan de kust. Waarom daar? Waar moest hij heen?
Toen kreeg Paulus in de nacht een visioen:
“Er stond een Macedonisch man, die hem toeriep: ‘Steek over naar Macedonië en help ons’” (Handelingen 16:9).
Dat was dus het plan van Jezus met Paulus: Hem in Europa laten prediken!
Enkele jaren later ging Paulus naar Jeruzalem, waar hij werd gearresteerd. De Joden wilden hem onmiddellijk ter dood brengen, maar hij kreeg de kans te getuigen.
“En de volgende nacht stond de Here bij hem en zei: Houd moed, want zoals u te Jeruzalem van Mij getuigd hebt, moet u ook te Rome getuigen” (Handelingen 23:11).
En zo, ondanks de inspanningen van Joden en heidenen, en ondanks een schipbreuk, bereikte Paulus Rome, zoals Jezus hem
had gezegd. Blijkbaar werd Paulus bewaard zolang hij werk voor de Heer te doen had, en hij overleefde vele gevaren en vele pogingen om hem te doden.
En toen hij uiteindelijk door Nero ter dood werd gebracht, was zijn werk gedaan. Paulus zelf schijnt in ieder geval gedacht te hebben dat dit zo was. Want hij schreef vanuit zijn gevangeniscel in Rome aan Timoteüs:
“Want wat mij aangaat, reeds word ik als plengoffer geofferd en het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur. Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden; voorts ligt voor mij gereed de krans van rechtvaardigheid, welke te dien dage de Here, de rechtvaardige rechter, mij zal geven, doch niet alleen mij, maar ook allen, die zijn verschijning hebben liefgehad” (2 Timoteüs 4:6-8).
Het is dus redelijk te veronderstellen, dat God al die tijd met Paulus was. Hij redde hem van de dood zolang hij nog werk te doen had; maar toen Paulus had gedaan waarvoor Hij was uitgekozen, liet God toe dat hij werd geofferd. En misschien is dat ook het antwoord op de vraag waarom Petrus uit de hand van Herodes werd gered, maar Jakobus niet.
Het gebed van Jezus en zijn redding
En dan hebben wij uiteraard het voorbeeld van Jezus. Vaak was zijn leven in gevaar. Al tijdens de eerste dagen van zijn dienst probeerden de Joden hem te doden. Meerdere keren lezen wij woorden als deze:
“Zij trachtten hem dan te grijpen, maar niemand sloeg de hand aan hem, want zijn ure was nog niet gekomen” (Johannes 7:30).
Net als Paulus, redde God Jezus van de pogingen hem te doden omdat hij nog werk te doen had, en
‘zijn tijd nog niet was gekomen’.
Maar uiteindelijk kwam voor Jezus wèl de tijd om te sterven. En, zoals David vóór hem, bad Jezus om verlossing. Maar hij wist dat hij afhankelijk was van zijn Vader in de hemel:
“Vader, indien U wilt, neem deze beker van mij weg; doch niet mijn wil, maar de uwe geschiede!” (Lucas 22:42).
Jezus liet het definitieve besluit aan God over. En God verliet zijn zoon om te sterven, net zoals hij Jakobus verliet om te sterven, en net zoals hij Paulus uiteindelijk verliet om te sterven. Had God gefaald?
Kon Hij Hem niet redden? Nee, Hij faalde niet. Want Hij redde Jezus wel! Hij wekte hem op uit de dood:
“God evenwel heeft hem opgewekt, want hij verbrak de weeën van de dood, naardien het niet mogelijk was, dat hij door hem werd vastgehouden” (Handelingen 2:24).
En wij?
Juist omdat Jezus uit de dood werd opgewekt, is hij onze Redder geworden.
Het is zijn taak ons van de dood te redden. Niet dat wij niet zullen sterven als wij in hem geloven, maar wij zullen dan net als hij worden opgewekt. Daarom keek Paulus uit naar die
“krans van rechtvaardigheid, welke te dien dage de Here … mij zal geven … (en) ook allen, die zijn verschijning hebben liefgehad”.
Dus, evenals David, Petrus, Paulus en Jezus, kunnen wij op de Allerhoogste vertrouwen als onze Verlosser. Net als David mogen wij God prijzen om zijn liefde voor ons:
Ik echter bezing uw sterkte, ‘s morgens jubel ik over uw goedertierenheid; want U was mij een burcht, een toevlucht ten dage toen ik benauwd was.
Mijn sterkte, U wil ik psalmzingen; want God is mijn burcht, mijn goedertieren God. (Psalm 59:17-18)
Red mij van mijn vijanden, o mijn God.
D.D

Geef een reactie - Give a reaction

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.