Christus in Profetie #9 De psalmen (3) Van wie er in de Boekrol geschreven staat

In de Boekrol staat er over hem geschreven.

“Toen zei Ik : zie, hier ben Ik, in de boekrol staat van mij geschreven.”

Deze keer willen we een tweetal psalmen bekijken waarvan misschien niet op het eerste gezicht duidelijk is dat ze spreken over Christus. Onder andere uit de brief aan de Hebreeën weten we echter dat beide in Jezus in vervulling gaan, zodat we ook deze psalmen mogen beschouwen als profetieën over Christus.

Psalm 8: Davids meditatie over Genesis 1

In Psalm 8 denkt David na over Gods almacht zoals hij die ziet in de schepping, en hij heeft daarbij Genesis 1 in gedachte.

“HEER, onze Heer, hoe machtig is uw naam op heel de aarde. U die aan de hemel uw luister toont” (Ps. 8:2).

Vergeleken met het heelal, zoals hij dat aan de nachthemel ziet, lijkt de mens zo nietig:

“Zie ik de hemel, het werkvan uw vingers, de maan en de sterren door u daar bevestigd, wat is dan de sterveling dat u aan hem denkt, het mensenkind dat u naar hem omziet?” (vs 4-5).

David denkt verder na over die woorden in Genesis. God zei daar:

“Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.” (Gen. 1:26).

De mens kreeg dus het voorrecht toezicht te houden op Gods schepselen op aarde. Daarom vervolgt David, sprekend over de mens:

“U hebt hem bijna een god gemaakt, hem gekroond met glans en glorie, hem toevertrouwd het werk van uw handen en alles aan zijn voeten gelegd: schapen, geiten, al het vee, en ook de dieren van het veld, de vogels aan de hemel, de vissen in de zee en alles wat trekt over de wegen der zeeën” (Ps. 8:6-9).

Het zijn deze laatste verzen die in Hebreeën 2 geciteerd worden. Dat de tekst daar iets anders is, komt door dat daar de Griekse vertaling van het Oude Testament is gebruikt, waar “bijna een god” is vertaald als “iets beneden de engelen”. Verder is in het Grieks “het mensenkind” letterlijk hetzelfde als de titel “Zoon des mensen” die Jezus zichzelf gaf. De schrijver past deze verzen dan toe op Jezus. En hij gaat ook verder dan je uit Genesis zelf op zou maken. Jezus heerst niet alleen over de lagere schepsels, maar ook over de mens. Vervolgens legt de schrijver uit dat wij nu nog niet zien dat alles aan Jezus onderworpen is:

“dat alles aan hem onderworpen is, zien wij echter nu nog niet” (Hebr.2:8).

Dat is, volgens Hebreeën, iets dat ons nog te wachten staat. Ook de apostel Paulus past deze psalm overigens toe op Christus, in zijn brieven aan Korinte (1 Kor. 15:27) en Efeze. Die laatste ziet nu al een vervulling:

“(God) heeft alles aan zijn voeten gelegd en hem als hoofd over alles aangesteld, voor de kerk, die zijn lichaam is, de volheid van hem die alles in allen vervult” (Efez. 1:22-23).

De boodschap van Psalm 8, volgens de schrijvers van het NT

Met deze aanvullende uitleg van het Nieuwe Testament zien we dat de centrale gedachte is dat God de mens heeft gesteld tot Koning over de aarde. Maar Adam en zijn afstammelingen zijn dat niet waardig gebleken. In hun plaats zal Christus over de aarde heersen, maar dan niet alleen over dieren, ook over mensen. Deze gedachte komen we ook in het Oude Testament al tegen, bijvoorbeeld in het beeld van Daniël 2 en in Daniël 7:

In mijn nachtelijke visioenen zag ik dat er met de wolken van de hemel iemand kwam die er uitzag als een mens [letterlijk: ‘een zoon des mensen’ – zie de NBG’51].
Hij naderde de oude wijze en werd voor hem geleid. Hem werden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit te gronde gaan. (Dan. 7:13-14).

In het Nieuwe Testament wordt veel vaker over het Koninkrijk van Christus gesproken. Daar zien we het in twee betekenissen: een voorlopige vervulling in een nog ‘onzichtbare’ koning maar met ‘zichtbare’ volgelingen, en een definitieve vervulling als de Koning terugkeert “om het koningschap over Israël te herstellen”. Hij zal dan zijn volgelingen verzamelen om met Hem te regeren.
De eerste betekenis zagen we in de brief aan de Efeziërs, de tweede in die aan de Hebreeën.

Psalm 45: de Koning en zijn bruid

De andere psalm die we willen bekijken is Psalm 45. Deze psalm is een lied voor de bruiloft van de Koning. Waarschijnlijk had de psalmist een historische gebeurtenis in het oude Israël voor ogen, maar er zijn voldoende verzen die niet op een koning van toen kunnen slaan.

We zullen hier dus een sterfelijke koning uit de lijn van David moeten zien, die model staat voor de Messias in al zijn glorie. De psalm bestaat uit twee delen. De verzen 2-10 gaan over de koninklijke bruidegom – over zijn schoonheid, zijn welsprekendheid en zijn rechtvaardig koningschap – terwijl de verzen 11-18 de bruid beschrijven die een talrijk nageslacht zal hebben en roem onder de volken.

De Koning

De bruidegom wordt beschreven als een koning die in oprechtheid regeert.

“Gord uw zwaard aan de heup, o held, het teken van uw majesteit en glorie. Treed op in uw glorie en begin de strijd voor waarheid, deemoed en recht. Laat uw hand geduchte daden verrichten” (Ps. 45:4-5).

Vervolgens zegt de Psalmist:

“Uw troon is voor eeuwig en altijd, o god, de scepter van het recht is uw koningsscepter, u hebt gerechtigheid lief en haat het kwaad. Daarom heeft God, uw God, u gezalfd met vreugdeolie, als geen van uw gelijken” (vs 7-8).

De ‘scepter van het recht’ verwijst naar de praktijk dat de koning tevens rechter was. En wie namens God recht spreken worden in de Schrift ook zelf vaak aangeduid als ‘god’ (zie artikel in Met Open Bijbel maart 2006, blz 10-11). We zien dat bijvoorbeeld in de wet:

“Indien de dief niet gevonden wordt, zal de heer des huizes tot de goden naderen… Hij, die de goden schuldig verklaren, zal aan zijn naaste … vergoeding geven”

en

“De goden zult gij niet vervloeken en een vorst onder uw volk zult gij niet verwensen” (Exod. 22:8-9,28, NBG’51).

Zo zien we ook in deze psalm de koning aangeduid als ‘god’. Door zijn rechtvaardig oordeel, waarbij de koning door God gezalfd wordt (‘gezalfde’ is in het Grieks: ‘Christus’), wordt hij boven zijn gelijken verheven. De NBV vertalers hebben duidelijk moeite met dit gebruik van het woord god (dat blijkt ook al in Exodus 22). Deze verzen worden echter in de brief aan de Hebreeën aangehaald, waarbij ze duidelijk op Christus toegepast worden. Daar wordt, ook in de NBV wel, duidelijk wat er letterlijk in de Psalm staat:

“Maar tegen de Zoon zegt hij:

… Gerechtigheid hebt u liefgehad en onrecht gehaat; daarom, o god, heeft uw God u gezalfd met vreugdeolie, als geen van uw gelijken” (Hebr. 1:8-9).

Dit tekent Hem als ondergeschikt aan God Zelf in de hemel, die hem als koning heeft aangesteld.

De bruid van de Koning

Het tweede deel van de Psalm beschrijft de bruid van de koning.

In het Oude Testament wordt de huwelijksrelatie regelmatig gebruikt als beeld van de relatie tussen God en zijn volk. Het volk Israël wordt regelmatig beschreven als ‘vrouw’ van God. En daaruit ontstaat het beeld dat Israël, wanneer het God niet op de voorgeschreven wijze dient, beschrijft als een vrouw die ontrouw is aan haar echtgenoot. Het beeld van een hoer, dat tot in het boek Openbaring wordt gebruikt, is op zijn beurt daar weer uit afgeleid. In het Nieuwe Testament wordt dit beeld van een bruid op dezelfde wijze gebruikt voor de relatie tussen Christus en zijn gemeente.

“Mannen, heb uw vrouw lief, zoals Christus de kerk heeft liefgehad enzich voor haar heeft prijsgegeven om haar te heiligen, haar te reinigen … en om haar in al haar luister bij zich te nemen” (Efez. 5:25-27).

We zienhet in de evangeliën, in de gelijkenissen over een bruiloftsmaal en deverzen waar Christus zich de bruidegom noemt. Maar ook in het boek Openbaring:

“Laten we blij zijn en jubelen, laten we hem de eer geven! Want de bruiloft van het lam is gekomen en zijn bruid staat klaar. Zij mag zich kleden in zuiver, stralend linnen. Want dit linnen staat vooral het goede dat gedaan is door de heiligen” (Openb. 19:7-8).

De boodschap van Psalm 45, volgens de schrijvers van het NT

Als de beschrijving van de koning in Psalm 45 verwijst naar Jezus, is het uiteraard redelijk om in de beschrijving van de bruid ook kenmerken te zien van de bruid van Christus, het volk van ware gelovigen. Het gedeelte over de bruid begint met:

“Luister, dochter, zie en hoor, vergeet uw volk en het huis van uw vader. Begeert de koning uw schoonheid, buigvoor hem, hij is uw heer.” (Ps. 45:11-12).

De eerste oproep doet denken aan de oproep die Abraham van God ontving.

“De HEER zei tegen Abram:

Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten [letterlijk: het huis van je vader], en ga naar het land dat ik je zalwijzen” (Gen. 12:1).

De NBV vertalers hebben de neiging minder letterlijk te vertalen en vooral de betekenis weer te geven. Het is daarom lastig in de NBV te herkennen waar dezelfde woorden gebruikt worden. Maar Abraham werd geroepen om alles achter zich te laten en naar een land te gaan dat God hem wijzen zou. Zo wordt ook de bruid van de Koning opgeroepen om haar afkomst te vergeten, als het ware wedergeboren te worden, om haar Koning te volgen en hem trouw te zijn.

Conclusie

In deze beide psalmen wordt gesproken over het koningschap van Jezus. Hij zal alle volken besturen en richten. Hij wordt daarbij ondersteund door “zijn vrouw”, een volk van gelovigen die hij aangenomen heeft.

“Het woord is betrouwbaar: immers, indien wij met hem gestorven zijn, zullen wij ook met hem leven; indien wij volharden, zullen wij ook met hem als koningen heersen; indien wij hem zullen verloochenen, zal ook hij ons verloochenen” (2 Tim. 2:11-12).

In de vorige aflevering in deze serie zagen we hoe in Psalm 2 ook al aangekondigd wordt hoe Jezus over alle volken zal heersen, en hoe hij daarin wordt bijgestaan door de gelovigen die bij zijn wederkomst hiervoor waardig gekeurd worden. Jesaja spreekt in dat verband over een koning (enkelvoud) en vorsten (meervoud). Daarom wordt ook over de bruid gezongen in Psalm 45:

“Ik zal uw naam bezingen, geslacht na geslacht, alle volken zullen uprijzen, eeuwig en altijd” (Ps. 45:18).

M.H

+

Voorgaande

Christus in Profetie #1 De Knecht in Jesaja (1)

Christus in Profetie #2 De Knecht in Jesaja (2) Behoefte aan Verlossing

Christus in Profetie #3 De Knecht in Jesaja (3) Gezalfde

Christus in Profetie #4 De Knecht in Jesaja (4) Heilbezorger, Knecht en Messias

Christus in Profetie #5 De Knecht in Jesaja (5) Verhoging van de Knecht

Christus in Profetie #6 De Knecht in Jesaja (6) Gezalfde voorzegd

Christus in Profetie #7 De psalmen (1A) Psalm 110 – Afstammeling van zijn Heer

Christus in Profetie #7 De psalmen (1B) Psalm 110 – Priester aan de Rechterhand van God

Christus in Profetie #8 De psalmen (2A) De messiaanse koning

Christus in Profetie #8 De psalmen (2B) De Gezalfde goede herder spreekt

++

Aansluitende lectuur

  1. De Schepper achter eerste levende wezens
  2. Begrijpend Zingen: Psalm 8: Wat is de mens…?
  3. Gebed na het lezen van Psalm 8 

3 thoughts on “Christus in Profetie #9 De psalmen (3) Van wie er in de Boekrol geschreven staat

Geef een reactie - Give a reaction

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.