Jezus vertrouwend op zijn God

In een voorgaande artikel zagen wij hoe Davids woorden een beeld gaven van wat er zou gebeuren met de gezondene van God, die zonder fout was, maar toch doodsangsten moest ondergaan, waarbij hij riep op zijn God, waarom Deze hem verlaten had.

“ Omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stem uit: ‘Eli, Eli, lema sabaktani? dat wil zeggen: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’” (Mt 27:46 WV78)

Jezus als kind had het niet na gelaten om regelmatig de Schrift te bestuderen. Toen hij 12 jaar was kon hij hier ook al zo goed over praten dat sommigen er werkelijk versteld van stonden.

“46 Pas na drie dagen vonden zij Hem in de tempel, waar hij te midden van de leraren zat, naar wie Hij luisterde en aan wie Hij vragen stelde. 47 Allen die Hem hoorden, waren verbaasd over zijn begrip en zijn antwoorden.” (Lu 2:46-47 WV78)

Jezus wist maar al te goed welke rol hij te spelen had en wie de grootste boven alle groten van de aarde was en is. Hij toonde dan ook alle respect voor Diegene die veel groter dan hij was.

“ Gij heb Mij horen zeggen: Ik ga heen, maar Ik keer tot u terug. Als gij Mij zoudt liefhebben, zoudt gij er blij om zijn dat Ik naar de Vader ga, want de Vader is groter dan Ik.” (Joh 14:28 WV78)

Met die woorden te zeggen, vertoonde Jezus ook zijn vertrouwen in het feit dat hij zou sterven en daarna naar zijn hemelse vader zou toe gaan die hij hoger inschatte dan zichzelf. Dat vertrouwen boezemde hem wel lef in. Tegen zijn tegenstanders durfde hij dan ook zeggen dat ze niet hem, maar zeker niet zijn God, op de proef moesten stellen.

“ Jezus zei tot hem: Er staat ook geschreven: Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen.’” (Mt 4:7 WV78)

Doch, ook al had hij veel vertrouwen in zijn God, waren er ogenblikken in zijn leven waarop angst hem toch beviel. Vooral dichter naar zijn einde toe brak hem het angstzweet wel eens uit.

In de tuin van Getsemane verzocht hij zijn apostelen te waken en met, en voor hem te bidden. Daar gaf hij ook uiting hoe zijn ziel diep bedroefd was.

“36  Toen Jezus met hen aan een landgoed kwam dat Getsemane heette, sprak Hij tot zijn leerlingen: ‘Blijft hier zitten, terwijl Ik ginds ga bidden.’ 37 Petrus en de twee zonen van Zebedeus nam Hij echter met zich mee. Hij begon bedroefd en beangst te worden. 38 Toen sprak Hij tot hen: ‘Ik ben bedroefd tot stervens toe. Blijft hier en waakt met Mij.’” (Mt 26:36-38 WV78)

Bedroefd en angstig geworden, richtte Jezus zich ook tot zijn hemelse Vader. Ook al was hij bevreesd voor wat er zou komen, wenste hij toch kenbaar te maken aan zijn God, dat Zijn wil het best kon gebeuren.

“32  Zij kwamen nu aan een landgoed dat Getsemane heette. Daar zeide Hij tot zijn leerlingen: ‘Blijft hier zitten, terwijl Ik bid.’ 33 Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en begon zich ontsteld en beangst te gevoelen. 34 Hij sprak tot hen: ‘Ik ben bedroefd tot stervens toe. Blijft hier en waakt.’ 35 Nadat Hij een weinig verder was gegaan, wierp Hij zich ter aarde en bad dat dit uur, als het mogelijk was, aan Hem mocht voorbijgaan. 36 ’Abba, Vader’, zo bad Hij, ‘voor U is alles mogelijk; laat deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet wat Ik maar wat Gij wilt.’” (Mr 14:32-36 WV78)

“ Nadat Hij een weinig verder was gegaan, wierp Hij zich plat ter aarde en bad: ‘Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet zoals Ik wil, maar zoals Gij wilt.’” (Mt 26:39 WV78)

“ Hij verwijderde zich voor de tweede keer en weer bad Hij: ‘Vader, als het niet mogelijk is dat die beker voorbijgaat zonder dat Ik hem drink: dat dan uw wil geschiede.’” (Mt 26:42 WV78)

De ergste ogenblikken waren aangebroken voor Jezus. Hij moest nu de grootste vernederingen ondergaan. Gewillig kwam hij voor zijn rechters en beulen.

Wij moeten beseffen dat deze man van Nazareth zoals ons van vlees en bloed was en gevoelens had zoals wij die hebben. Het was niet dat die zulk een goddelijk figuur was dat niets hem kon deren. De mens kan God niets doen, maar de zoon van God kon door een ander mens wel pijn gedaan worden.
Jezus was wel volmaakt, het is te zeggen was zonder fout, en deed altijd wat zijn hemelse Vader, de Allerhoogste Godheid verlangt van een mens. Bij die mensenzoon en zoon van God was er geen schuld te vinden. Altijd had hij zich ook bereikbaar gesteld voor anderen en had hij deze geholpen daar waar en wanneer hij kon.

Nu stond hij er alleen voor. Zijn trouwe volgelingen, de apostelen durfden zich nu niet meer uitgeven voor een discipel van hem. Zelfs Petrus die door Jezus slapend was gevonden en voorgezegd dat hij hem zou verloochenen, moest inzien dat Jezus zijn voorspelling juist was. Want toen hij zich op de binnenplaats van de tempel bevond en bevraagd werd of hij geen discipel was ontkende Petrus dit.

“66  Terwijl Petrus zich beneden op de binnenplaats bevond, kwam daar een van de dienstmeisjes van de hogepriester; 67 en toen zij Petrus zag die zich zat te warmen, keek ze hem eens aan en zei: ‘Jij was ook bij Jezus de Nazarener.’ 68 Maar hij ontkende het: ‘Ik weet niet, ik begrijp niet wat je bedoelt.’En terwijl hij wegging naar het poortgebouw, kraaide een haan. 69 Maar toen het meisje hem daar opmerkte, verzekerde ze nog eens aan de omstanders: ‘Die is er ook een van.’ 70 Hij ontkende het opnieuw. Even daarna zeiden de omstanders tot Petrus: ‘Waarachtig, jij bent er ook een van; je bent toch ook een Galileeer.’ 71 Toen begon hij te vloeken en te zweren: ‘Ik ken die man niet over wie jullie het hebben.’ 72 Onmiddellijk daarop kraaide een haan voor de tweede keer. Nu herinnerde Petrus zich, hoe Jezus tot hem gezegd had: ‘Voordat een haan tweemaal kraait, zult ge Mij driemaal verloochenen.’En hij barstte in tranen uit.” (Mr 14:66-72 WV78)

Toen Petrus zijn meester naar de heuvel ging, buiten de stad, waar hij aan een paal zou gehangen worden, keken velen naar deze door het geselen, verzwakte man, wiens krachten naar het einde liepen. Op de schedelplaats (Golghotha) werd hij tussen twee rovers aan een paal opgehangen.

“15 Maar zij schreeuwden: ‘Weg, weg met Hem! Kruisig Hem!’Pilatus vroeg: ‘Zal ik dan uw koning kruisigen?’ De hogepriesters antwoordden: ‘Wij hebben geen andere koning dan de keizer!’ 16  Toen leverde hij Hem aan hen uit om de kruisdood te ondergaan, en zij namen Hem over. 17 Zelf zijn kruis dragend trok Jezus de stad uit naar wat de Schedelplaats heet, in het Hebreeuws Golgota. 18 Daar sloegen zij Hem aan het kruis, en met Hem nog twee anderen, aan elke kant een en Jezus in het midden. 19  Pilatus had ook een opschrift laten maken en op het kruis doen aanbrengen. Het luidde: ‘Jezus, de Nazoreeer, de koning van de Joden.’ 20 Vele Joden lazen dit opschrift, want de plaats waar Jezus gekruisigd werd, lag dicht bij de stad. Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks. 21 De hogepriesters van de Joden nu zeiden tot Pilatus: ‘Ge moest er niet op zetten: ‘de koning van de Joden’, maar: ‘Hij heeft gezegd: Ik ben de koning van de Joden’ 22 Pilatus antwoordde: ‘Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.’” (Joh 19:15-22 WV78)

“33  Gekomen op een plaats die Golgota genoemd wordt – dat wil zeggen Schedelplaats – 34 gaven ze Hem met alsem gemengde wijn te drinken; Hij proefde ervan maar wilde niet drinken. 35 Nadat ze Hem gekruisigd hadden, verdeelden ze zijn kleren onder elkaar door er om te dobbelen; 36 en daar neergezeten bleven ze de wacht bij Hem houden. 37 Boven zijn hoofd bracht men een opschrift aan met de reden van zijn veroordeling: ‘Dit is Jezus, de koning der Joden.’ 38 Samen met Hem werden ook twee rovers gekruisigd, de een rechts, de ander links.” (Mt 27:33-38 WV78)

Jezus tussen twee rovers opgehangen aan een paal.

Aan dat stuk hout hangend, was het op een ogenblik toch even te zwaar voor Jezus. Omstaanders lachten met die droevige man, die aan de paal hing met boven hem zijn “eretitel” van “koning der Joden”

“ Boven zijn hoofd bracht men een opschrift aan met de reden van zijn veroordeling: ‘Dit is Jezus, de koning der Joden.’” (Mt 27:37 WV78)

“ Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidde: ‘De koning der Joden.’” (Mr 15:26 WV78)

“ Boven Hem stond als opschrift in Griekse, Romeinse en Hebreeuwse letters: ‘Dit is de koning der Joden.’” (Lu 23:38 WV78)

“ Pilatus had ook een opschrift laten maken en op het kruis doen aanbrengen. Het luidde: ‘Jezus, de Nazoreeer, de koning van de Joden.’” (Joh 19:19 WV78)

Spotters rond de ophangen Jezus Christus, koning van de Joden.

De mensen en leiders stonden toe te kijken en maakten Jezus belachelijk. Velen vroegen zich af waarom hij zich nu niet zelf redde, want hij had toch zo veel anderen gered. Jezus kon hen horen roepen dat als hij de Messias van God was, de man die door God was uitgekozen, zich dan nu maar zelf moest redden. Ook de soldaten kwamen hem belachelijk maken en brachten de dorstige zure wijn en vroegen hem ook, als hij de koning van de Joden was, om zichzelf te redden. Eén van de opgehangen misdadigers schold Jezus ook uit, terwijl mensen die voorbij kwamen ook hun hoofd spottend schudden en zich herinnerden hoe deze man had verteld dat hij de tempel in drie dagen weer zou opbouwen.

“39 Voorbijgangers hoonden Hem, terwijl ze het hoofd schudden 40 en zeiden: Gij daar, die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, red Uzelf; als Gij de Zoon van God zijt, kom dan van dat kruis af!’ 41 In dezelfde geest zeiden de hogepriesters met de schriftgeleerden en oudsten spottend: 42 ’Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf kan Hij niet redden. Hij is toch de koning van Israel. Laat Hem nu van het kruis afkomen, dan zullen we in Hem geloven. 43 Hij stelt vertrouwen in God; laat Die Hem nu bevrijden, als Hij behagen in Hem heeft. Hij heeft immmers gezegd: Ik ben de Zoon van God!’ 44 Zelfs de rovers, die samen met Hem gekruisigd waren, voegden Hem soortgelijke beschimpingen toe.” (Mt 27:39-44 WV78)

Jezus stelde wel vertrouwen in God, maar het paste niet in Gods Plan om Jezus van de paal te laten stappen om verder te leven. Ook al vertrouwde Jezus er op dat hij eens koning van de Joden zouden worden, vernederde hij zich meermaals. Alles wat Jezus had gedaan van wonderen was door de Kracht van God. Uit eigen kracht kon Jezus niet zo maar zulke dingen doen. Dus nu kon hij ook niet zo maar van die paal afstappen.

Indien Jezus God zou zijn moest hij natuurlijk helemaal niets vrezen, omdat de mens God niets kan doen en omdat God niet kan sterven. Maar niet God zijnde, wist hij niet alles en kon hij zoals niemand van ons echt met zekerheid weten wat er met en na de dood zou gebeuren. Daarin moest hij helemaal op God vertrouwen.

Toen het op dat zesde uur (dit wil zeggen omstreeks 14 uur) donker werd moet de angst toch erg op Jezus ingespeeld hebben. Tot nu toe had hij altijd het volste vertrouwen in zijn Meester getoond, maar nu ging hij naar Hem roepen en bevragen waarom Deze hem zou verlaten hebben.

“45 Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land, tot aan het negende uur toe. 46 Omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stem uit: ‘Eli, Eli, lema sabaktani? dat wil zeggen: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ 47 Enkelen van de omstanders die het hoorden, zeiden: ‘Hij roept om Elia!’” (Mt 27:45-47 WV78)

“33  Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land, tot aan het negende uur toe. 34 En op het negende uur riep Jezus met luider stem: ‘Eloi, Eloi, lama sabaktani?’ Dit is vertaald: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ 35 Enkele omstanders, die het hoorden, zeiden: ‘Hoor, Hij roept om Elia.’” (Mr 15:33-35 WV78)

Was dit nu een roep tot God om hulp in zware nood? Wat verwachte Jezus na zijn roep?
Zij die de Schriften goed kenden konden niet na laten de voorspellingen van de vroegere schrijvers te herinneren en koning David zijn roep ook in gedachten nemen.

“ Voor de koorleider. Op de wijze van ‘de hinde van de dageraad’. Een psalm van David. (22:2) Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten, ver van mijn roepen om uitkomst, ver van mijn schreien om hulp.” (Ps 22:1 WV78)

Was het nu ook voor Jezus dat Jehovah God zo ver weg leek als voor David?
Had God Zijn zoon nu ook kilometers uit het niets gedumpt?
Voorzeker konden er heel wat roddels de ronde doen dat God die man in de steek had gelaten. Het viel hen ook op dat er nu niemand was die hem zou komen helpen.

“ en het luidt: ‘God heeft hem verlaten. Op hem los! Niemand neemt hem ons af.’” (Ps 71:11 WV78)

Voor ons moeten de woorden van Jesaja voor ogen komen waarbij wij ons kunnen afvragen waarom toch, dat het dat was, wat God altijd in gedachten had om hem met pijn te verpletteren. Hierbij wist Jezus wat wij ook zouden moeten beseffen, dat het plan was dat hij zichzelf als een offer voor de zonde zou geven, zodat hij het leven eruit zou zien komen – leven, leven, en meer leven. En het plan van God zou dan  door hem diep gedijen.

“ Maar het heeft Jahwe behaagd hem ziek te maken en te breken. Waarlijk, als een zoenoffer gaf hij zijn leven. Nakomelingen zal hij mogen zien, en lang blijven leven; immers, wat Jahwe behaagde heeft zijn hand volvoerd.” (Jes 53:10 WV78)

Hangende aan die paal kon Jezus die vele starende mensen zien en de vele voorbijgangers. Ze konden hem aankijken, maar hadden ze wel ooit zoiets gezien? Heb je ooit Jezus pijn gezien en gezien wat God met hem deed. Was er nu een noodkreet van Jezus omdat hij misschien dacht dat God hem dit aan deed in Zijn woede?

“ Allen die voorbij komt, zie het lijden dat ik moet dragen, dat Jahwe mij aandeed op de dag van zijn toorn, zie, wie heeft ooit zo geleden.” (Kla 1:12 WV78)

Tijdens zijn leven op aarde bad Jezus meermaals tot God, die hem van de dood kon redden. Ook zijn hart had momenten dat het beefde en hangende aan die paal verging hij van dorst.

“14 (22:15) Als water dat wegloopt verga ik, alsof heel mijn gebeente is ontwricht; mijn hart lijkt geworden tot was, het begint te begeven van binnen. 15 (22:16) Een stuk potscherf – zo droog is mijn keel, en mijn tong voelt gekleefd in mijn mond: stof des doods – daarin laat Ge mij liggen. 16 (22:17) Een troep honden is om mij heen; rond mij hokt de wreedaardige bende die mijn handen doorstak en mijn voeten.” (Ps 22:14-16 WV78)

Hij bad en smeekte luid huilend en tranen brengend, werd hij gehoord vanwege zijn toewijding aan God.

“ In de dagen van zijn sterfelijk leven heeft Hij onder luid geroep en geween gebeden en smekingen opgedragen aan God die Hem uit de dood kon redden. Om zijn vroomheid is Hij verhoord:” (Heb 5:7 WV78)

Jezus verlangde niet dat God hem van die paal zou weg halen en hem niet zou laten sterven. Hij was bereid zich over te geven aan zijn God en in Hem te vertrouwen, hopend dat zijn offerdood door God zou aanvaard worden als de nodige losprijs om iedereen vrij te kopen van zonde.

Zouden wij ook zo ver in ons geloof en vertrouwen in God willen gaan dat wij ons leven er voor zouden willen geven?

+

Voorgaande

Christus in Profetie #10 De psalmen (4)

++

Aanvullende artikelen

  1. Gezondene van God
  2. Jeshua de Christus
  3. Jezus als dienaar
  4. Lijden bedekt door Zoenoffer
  5. Jezus Christus betaler van de losprijs
  6. Jezus Christus koning opgehangen
  7. Zoenoffer

One thought on “Jezus vertrouwend op zijn God

Geef een reactie - Give a reaction

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.