Christus in Profetie #10 De psalmen (4)

“Toen zei Ik : zie, hier ben Ik, in de boekrol staat van mij geschreven”

We willen nu een psalm bekijken die niet gaat over de heerschappij van Christus, maar over zijn lijden. Het meest treffende voorbeeld hiervan is Psalm 22. De aanhef vermeldt dit als een psalm van David. De meeste van zulke psalmen beschrijven een situatie uit zijn eigen leven. Hier beschrijft hij echter een openbare terechtstelling, die opvallend veel weg heeft van een kruisiging.

In David’s tijd was steniging de door de wet voorgeschreven wijze van terechtstellen, maar dat komt niet overeen met de hier beschreven kenmerken. Dood door kruisiging (Ed.n.: kruisen van de handen en voeten op een verticale paal) is echter pas duizend jaar later ingevoerd door de Romeinen. Ook vinden we details die wel vervuld zijn in Jezus’ lijden en sterven, maar die, zelfs met dichterlijke vrijheid, niet overeen komen met situaties in David’s leven.

Het eerste vers komt overeen met één van Jezus’ uitspraken aan het stuk hout. Deze psalm moet dus, onder inspiratie van de Geest, wel over de toekomst spreken, als treffende illustratie hoe God alles tot in detail leidt. De psalm valt in te delen in een viertal deelonderwerpen:

  1. • een roep tot God om hulp in zware nood.
  2. • de beschrijving van die nood.
  3. • een lofprijzing omdat God hem uit die nood verlost, hoewel toch niet van de dood.
  4. • de komst van Gods koninkrijk.

Deze vier delen worden hieronder apart behandeld.

Een roep om hulp (verzen 2-11)

“1  Voor de koorleider. Op de wijze van ‘de hinde van de dageraad’. Een psalm van David. (22:2) Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten, ver van mijn roepen om uitkomst, ver van mijn schreien om hulp. 2 (22:3) Bij dag roep ik, mijn God – Gij blijft zwijgen, bij nacht – en ik word niet gestild. 3 (22:4) Gij die in heiligheid troont, Gij die van Israel de roem zijt, 4 (22:5) op U hebben onze vaderen vertrouwd; zij vertrouwden en Gij bracht hun uitkomst. 5 (22:6) Tot U riepen zij en er kwam redding: niet beschaamd werden die op u bouwden. 6 (22:7) Doch ik – een worm en geen mens, spot der schare, veracht door het volk. 7 (22:8) Die mij zien treffen mij met hun hoon, grijnzen smadelijk, schudden het hoofd: 8 (22:9) ‘hij wentelt zijn last op de Heer!’ ‘Die zal hem wel komen verlossen, die bevrijdt hem: hij staat in zijn gunst!’ 9 (22:10) Gij deed mij de moederschoot uitgaan, aan haar borst hebt Gij mij gevlijd; 10 (22:11) u viel ik toe, nauwelijks geboren, van mijn oorsprong af zijt Gij mijn God. 11  (22:12) O, blijf dan niet verre van mij: nu is mij wat dreigde genaderd; en er is geen mens die mij helpt.” (Ps 22:1-11 WV78)

Hier belijdt de veroordeelde zijn vertrouwen op God, ondanks alles wat hem overkomt (‘vertrouwen’komt in vs 5-6 driemaal voor). Dit vertrouwen is gebaseerd op zijn kennis van de Schrift, en de vele voorbeelden die hij daarin vindt. De veroordeelde geeft ook aan dat God vanaf zijn geboorte voor hem zorgt.

De inleidende vraag, waarom God hem verlaten heeft, kan dan ook geen werkelijk verwijt zijn dat God hem in de steek gelaten heeft. Het drukt veeleer zijn innerlijk gevoelens uit. De veroordeelde noemt zichzelf een worm, nietig en versmaad door mensen. De psalmist beschrijft vervolgens hoe de omstanders hem bespotten en kleineren, vooral om dat vertrouwen op God.

“Allen die mij zien, bespotten mij, ze schudden meewarig het hoofd: ‘Wend je tot de HEER! Laat Hij je verlossen, laat Hij je bevrijden, Hij houdt toch van je?’ ” (Ps. 22:8-9).

Het woord voor ‘bespotten’ is in de Griekse vertaling van het OT hetzelfde als wat we in Lukas lezen als ‘honen’:

“Het volk stond toe te kijken. De leiders hoonden hem en zeiden: ‘Anderen heeft hij gered; laat hij nu zichzelf redden als hij de Messias van God is, zijn uitverkorene!’ ” (Luk. 23:35).

Het schudden van het hoofd zien we in het Matteüs’ verslag:

“De voorbijgangers keken hoofdschuddend toe en dreven de spot met hem: ‘Jij was toch de man die de tempel kon afbreken en in drie dagen weer opbouwen? Als je de zoon van God bent, red jezelf dan maar en kom van dat kruis af!’ ” (Mat. 27:39-40).

De beschrijving van de nood (verzen 12-22)

“12 (22:13) Een troep stieren staat om mij heen, mij omsingelen de bisons van Basan, 13 (22:14) en dreigend, met wijd open muil, verscheurende, brullende leeuwen. 14 (22:15) Als water dat wegloopt verga ik, alsof heel mijn gebeente is ontwricht; mijn hart lijkt geworden tot was, het begint te begeven van binnen. 15 (22:16) Een stuk potscherf – zo droog is mijn keel, en mijn tong voelt gekleefd in mijn mond: stof des doods – daarin laat Ge mij liggen. 16 (22:17) Een troep honden is om mij heen; rond mij hokt de wreedaardige bende die mijn handen doorstak en mijn voeten. 17 (22:18) Al mijn beenderen kan ik tellen – en zij komen mij zien, mij bekijken, 18 (22:19) zij verdelen samen mijn kleren: er wordt om mijn mantel geloot. 19 (22:20) Gij, o Heer, houd U dan niet ver, Gij mijn kracht, kom mij ijlings te hulp; 20 (22:21) houd mijn leven gered van het zwaard, van de moedwil der honden dit laatste; 21 (22:22) bewaar mij voor de muil van de leeuw, voor de horens der bisons mij schamele. 22  (22:23) Dat mijn broeders uw naam ik mag melden, uw lof zingen temidden der schare;” (Ps 22:12-22 WV78)

Dit deel beschrijft het feitelijke lijden. Om de gemoedstoestand van de veroordeelde te begrijpen, is één vers boven alles van belang:

“U legt mij neer in het stof van de dood” (vs. 16).

Hij gaat sterven, maar beseft tegelijkertijd dat dit Gods wil is. Dat is ook kenmerkend voor de lijdende knecht bij Jesaja. Maar dan is die roep om hulp dus geen verzoek om hem van die dood te redden. De details uit de psalm zijn duidelijk herkenbaar in de beschrijving in de evangeliën: naakt terechtgesteld worden, zijn klederen verdeeld door zijn folteraars, waarbij het onderkleed verloot wordt, een ondragelijke dorst en een ontwricht geraamte.

Door inspiratie van Gods Geest geeft de psalmist hier dus een zeer gedetailleerde beschrijving van wat er duizend jaar later zou plaats vinden. Ook de grote menigte vijandige omstanders uit de psalm, die hun goedkeuring geven aan deze terechtstelling, vinden we terug in de evangelieverslagen. Het slot neemt echter wel ineens een onverwachte wending. Na de kreet om hulp, om gered te worden uit de muil van de leeuw, volgen de woorden

“U geeft mij antwoord” (NBG’51: “Gij hebt mij geantwoord!”).

De brief aan de Hebreeën vertelt ons hoe Jezus

“tijdens zijn leven op aarde… heeft gesmeekt en gebeden tot hem die hem kon redden uit de dood, en hij werd verhoord (NBG’51: verhoord uit zijn angst)” (Hebr. 5:7).

Dat wil niet zeggen dat hij niet gestorven zou zijn, maar dat hij de kracht ontving te overwinnen. Zo heeft God ook ingegrepen toen Jezus aan de paal hing. Door de drie uur duisternis bleef de ergste hitte van de middagzon hem bespaard.

Lofprijzing voor Gods verlossing (verzen 23-27)

“23 (22:24) die de Heer vreest, zingt Hem uw lof, geeft Hem eer, al gij nazaten Jakobs, ducht Hem, al gij nazaten Israels! 24 (22:25) Want Hij heeft niet veracht, niet versmaad de vernederde in zijn vernedering, zijn gelaat niet van hem gewend; Hij hoorde naar wie tot Hem schreide. 25 (22:26) U mijn lof waar de schare bijeen is: zo toch los mijn geloften ik in ten overstaan van wie Hem vrezen. 26 (22:27) Eenmaal stillen de armen hun honger; loven mogen de Heer die Hem zoeken; hun hart vinde leven voor immer. 27 (22:28) In dit weten bekeert tot de Heer zich de aarde – tot haar verste grenzen, buigen zich voor zijn aangezicht neer alle stammen der heidense volken.” (Ps 22:23-27 WV78)

De lofzang beschrijft een volgende fase: de veroordeelde is nu verlosser geworden. Hij is niet meer omringd door spotters, maar door ‘zijn broeders’:

“Ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen, in het midden der gemeente zal ik U lofzingen” (Ps. 22:23, NBG‘51).

Helaas vertaalt de NBV het woord ‘broeders’ niet, maar als dit vers aangehaald wordt in de brief aan de Hebreeën is juist dat woord essentieel omdat anders de betekenis verloren gaat:

“Hij schaamt zich er niet voor hen zijn broeders en zusters te noemen wanneer hij zegt: ‘Ik zal uw naam bekend maken aan mijn broeders en zusters, u loven in de kring van mijn volk’” (Hebr. 2:11-12)

De gemeente wordt tweemaal vermeld, met als middelpunt daarvan de verlosser.

“De vernederden zullen eten en worden verzadigd” (vs 27)

doet denken aan de zegeningen die God Zijn volk beloofd had in Deuteronomium, waar deze woorden gebruikt worden, en wellicht ook aan de dankoffers, waarvan onder de wet gegeten mocht worden. ‘De vernederden’ wijst in dit verband niet op mensen die door anderen vernederd worden, maar die zichzelf vernederen.

Van de Messias sprak Jesaja:

“De geest van God, de HEER, rust op mij, want de HEER heeft mij gezalfd. Om aan armen [het zelfde woord als ‘vernederden’ in de psalm] het goede nieuws [evangelie] te brengen, heeft hij mij gezonden, om aan verslagen harten hoop te bieden” (Jes.61:1).

Uit het feit dat Jezus aan de paal de beginwoorden van deze psalm citeert kunnen we opmaken dat hij aan deze psalm dacht, en aan de verlossing die zijn dood zou brengen. Hij zag niet zijn folteraars – maar de grote groep gelovigen die door zijn gehoorzaamheid God zou kunnen loven. Hij bleef tot zijn laatste adem op God vertrouwen.

De komst van Gods koninkrijk (verzen 28-32)

“ (22:28) In dit weten bekeert tot de Heer zich de aarde – tot haar verste grenzen, buigen zich voor zijn aangezicht neer alle stammen der heidense volken.” (Ps 22:27 WV78)

“28 (22:29) Want de koningsmacht is aan de Heer: Hij is heerser over de volkeren. 29 (22:30) Dan zullen wie rijk zijn op aarde Hem nederig hulde bewijzen, dan zullen knielen voor Hem die in het stof zijn gezonken, die geen kracht hadden verder te leven. 30 (22:31) Hun nakomelingschap zal Hem dienen en zegt zijn nageslacht wie de Heer is. 31 (22:32) En dit komt zijn gerechtigheid melden aan het volk dat geboren gaat worden. Omdat het door Hem is volbracht.” (Ps 22:28-31 WV78)

De resultaten blijven niet beperkt tot zijn omgeving.

“Overal, tot aan de einden der aarde, zal men de HEER gedenken en zich tot Hem wenden. Voor u zullen zich buigen alle stammen en volken” (Ps. 22:28).

Dit zou tot op zekere hoogte nog op het heden kunnen slaan, maar we lezen vervolgens hoe dit lijden blijkbaar leidt tot een opstanding voor de gestorven gelovigen.

“Wie op aarde in overvloed leven, zullen aanzitten en zich voor hem buigen. Ook zullen voor hem knielen wie in het graf zijn neergedaald, wie hun leven niet konden behouden” (Ps. 22:30).

In de letterlijke Hebreeuwse woorden zien we een duidelijke verwijzing naar de straf voor de zonde:

dat de mens die zondigde zou sterven en terugkeren tot stof (Gen. 2:17).

Maar door de veroordeelde zijn zij blijkbaar in staat om voor hem te knielen, waarmee gezegd wordt dat zij op zullen staan uit de doden. De psalm vertelt ons vervolgens dat ook latere geslachten hem zullen dienen. De door de omstanders verachte veroordeelde is nu blijkbaar een bron van heil.

“Het nakroost zal Hem dienen, er zal van de HERE verteld worden aan het komende geslacht; zij zullen zijn gerechtigheid verkondigen aan het volk dat geboren zal worden, omdat Hij het gedaan heeft” (Ps. 22:30-31, NBG’51).

Door God verlaten?

Dat deze woorden geen andere vervulling kunnen hebben dan de kruisdood en overwinning van Jezus zal duidelijk zijn. Door Gods Geest geïnspireerd, kon David tot in detail spreken over een tijd die ver vóór hem lag. Er rest echter nog een laatste vraag, namelijk hoe die woorden opgevat moeten worden:

“Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten”,

en vooral waarom Jezus deze woorden vlak voor zijn sterven uitsprak. Hierover bestaan drie verschillende meningen:

  1. • Jezus citeert dit vers om zijn omgeving erop te wijzen dat zij deze psalm voor hun ogen in vervulling zien gaan.
  2. • Hij voelt zich van God verwijderd omdat hij de zonden van mensen draagt, en die op het hout brengt.
  3. • Jezus is gedurende die drie uur werkelijk door God verlaten.

Wat we in de Psalm zien is een gedetailleerde profetie. Het zou daarmee een schril contrast staan wanneer het eerste vers niet Jezus’ werkelijke gevoelens zou weergeven. De stelling dat Jezus zich niet werkelijk verlaten voelde, maar hiermee alleen verwees naar de psalm is daarom zwak.

De tweede zienswijze is beter te volgen. Dan zou die verwijdering niet van God komen, maar door de zonde die Jezus droeg. En de psalm geeft dan vervolgens inzicht in de heerlijkheid die daar uit zou voortkomen.

De derde zienswijze is in feite een soort uitbreiding van de tweede. Het zou dan echter niet alleen maar om een gevoel van Jezus gaan, maar om een daadwerkelijke toestand. De straf op zonde was de dood, en omdat Jezus onze zonden heeft gedragen, was het nodig dat hij stierf. Maar omdat hij in werkelijkheid zonder zonde was, is hij weer uit die dood opgestaan. Er zou op zichzelf voor hem daarom geen reden zijn die dood te vrezen. Maar de werkelijke betekenis van de dood is absolute scheiding tussen de zondaar en God. In dat licht zou het daarom volkomen voor de hand liggen dat hij gedurende die drie uren die scheiding inderdaad moest ondergaan.

Er zijn in de loop der tijden tallozen geweest die hun leven hebben gegeven voor anderen, en evenzo zijn er in de Romeinse tijd tallozen aan een stuk hout gestorven. Maar alleen Jezus heeft ten volle beseft (en beleefd!) wat scheiding van God betekent. Alleen zo zouden wij Jezus’ extreme angst in Getsemane ten volle kunnen begrijpen: uiteindelijk, toen het er op aankwam, moest hij zelf de overwinning behalen, zonder hulp van zijn Vader. En hij wist maar al te goed dat, wanneer hij zou falen, er geen oplossing zou zijn voor de zonde, noch die van hemzelf (dat falen) noch voor iemand anders. Juist dat zou zijn strijd ten volle tekenen.

M.H

+

Voorgaande

Christus in Profetie #1 De Knecht in Jesaja (1)

Christus in Profetie #2 De Knecht in Jesaja (2) Behoefte aan Verlossing

Christus in Profetie #3 De Knecht in Jesaja (3) Gezalfde

Christus in Profetie #4 De Knecht in Jesaja (4) Heilbezorger, Knecht en Messias

Christus in Profetie #5 De Knecht in Jesaja (5) Verhoging van de Knecht

Christus in Profetie #6 De Knecht in Jesaja (6) Gezalfde voorzegd

Christus in Profetie #7 De psalmen (1A) Psalm 110 – Afstammeling van zijn Heer

Christus in Profetie #7 De psalmen (1B) Psalm 110 – Priester aan de Rechterhand van God

Christus in Profetie #8 De psalmen (2A) De messiaanse koning

Christus in Profetie #8 De psalmen (2B) De Gezalfde goede herder spreekt

Christus in Profetie #9 De psalmen (3) Van wie er in de Boekrol geschreven staat

2 thoughts on “Christus in Profetie #10 De psalmen (4)

Geef een reactie - Give a reaction

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.