Overdenking: De vertrouwelijke omgang van God is met wie Hem vrezen (Psalm 25:14)

De evangelisten Marcus en Lukas schrijven dat de heer Jezus zich regelmatig terugtrok in de eenzaamheid om, zonder door anderen in beslag genomen te worden, te spreken met zijn Vader in de hemel. Zij vertellen ons niet veel over wat Jezus op zulke momenten bad. Maar wat zij, door de Geest geïnspireerd, wel hebben opgeschreven, is voor ons van grote waarde, omdat het laat zien welke diepe en hechte relatie Jezus met zijn Vader in de hemel had. Wat wij ook merken, is aan de
ene kant zijn eerbied en ontzag voor God en aan de andere kant zijn vertrouwelijke omgang met Hem en zijn spontaniteit.

In Lucas 10:21 vinden we zo’n spontane opwelling van vreugde en dankbaarheid, nadat Jezus hoorde van de vruchten, die het werk van de door Hem uitgezonden discipelen opleverde:

“Tezelfdertijd verblijdde Hij zich door de Heilige Geest en zei: Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, maar aan kinderen geopenbaard. Ja Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U”.

We merken dat er, hoewel hij eerbied en respect voor zijn Vader toonde, als Bedenker van Zijn heilsplan en de Schepper van alle leven, geen afstand tussen hen was. Hij sprak alsof zijn Vader op dat moment naast hem stond. Niet als zijn Gelijke in
rang, maar als Degene met Wie hij één van zin was.

Bij Jezus was er niets dat tussen hem en zijn Vader in stond, waardoor hij steeds met Hem in contact kon zijn en, hardop of in de geest, met Hem sprak om Hem te danken, iets te zeggen of te vragen. Hij had niets te verbergen waarvoor hij zich zou moeten schamen, zodat hij geen angst hoefde te hebben om voor God, zijn Vader te verschijnen, zoals Adam na zijn zonde:

“Toen zij het geluid van de Here God hoorden, Die in de hof wandelde in de avondkoelte, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor de Here God tussen het geboomte in de hof. En de Here God riep de mens tot Zich en zei tot hem: waar bent u? En hij zei: Toen ik uw geluid hoorde, werd ik bevreesd….” (Genesis 3:8 en 9).

De vrede die Jezus had met God de Vader, is zo anders dan die wij kennen. Wij geven zo gemakkelijk toe aan onze zwakheden en laten ons, als onze voorvader naar het vlees Adam, leiden en verleiden door onze begeerten. Maken verkeerde keuzes, waardoor wij God en Zijn Zoon niet altijd de eerste plaats geven in ons leven; niet toekomen aan het werk dat Hij wil dat wij in Zijn dienst doen zullen. Hierdoor kunnen wij vaak zo’n afstand voelen tot God. Er is zoveel dat tussen Hem en ons in staat. Onze tekortkomingen maken ons beschaamd en dan maken wij het soms nog erger door ons voor Hem te verbergen. Terwijl we niet inzien dat wij juist beter tot Hem kunnen gaan om onze zonden en zwakheden voor Hem te belijden; onze noden en behoeften aan Hem voor te leggen en te vragen om vergeving en zijn Geest van wijsheid en kracht, zodat wij met Zijn hulp overwinnen. Wij mogen immers op Zijn Zoon zien, Die de wil van zijn Vader op volmaakte wijze heeft gedaan.

Hij wil ons laten delen in zijn overwinning op grond van geloof en vertrouwen, gepaard met onze krachtige inspanning onszelf te verloochenen, in vereenzelviging met hem die zo één van geest was en is met zijn Vader in de hemel.
Sommigen zeggen dat het niet eerlijk is om onze relatie met God te vergelijken met die van Jezus. Hij had geen menselijke vader: God was zijn Vader en daarom kon hij niet zondigen, zeggen zij. Maar is dat waar? Deden de schrijvers van de boeken van het Nieuwe Testament niet juist veel moeite om duidelijk te maken dat Jezus ‘Mens‘ was meteen lichaam van vlees en bloed, waarin begeerten wonen? En is niet juist zijn overwinning op het vlees ons zowel tot zegen als tot voorbeeld?

Toch was er wel iets anders: de natuurlijke gang van zaken, menselijke verwekking en geboorte uit de lijn van Adam, bracht geen volmaaktheid. Om Zijn doel met de schepping te bereiken, greep God in de natuurlijke gang van zaken in

“want de Here schept iets nieuws op aarde: de vrouw zal de man omvangen” (Jeremia 31:22).

God verwekte door de Geest een Zoon uit de mensheid, Die de Eerste geworden is van de nieuwe schepping. Hierin past God hetzelfde principe toe als in de eerste schepping, namelijk dat wie wil behoren tot Zijn familie, beproefd wordt om aan het licht te brengen of hij of zij een waar kind van Hem is. En wie is meer beproefd dan Jezus? Hij was niet volmaakt door zijn geboorte, maar moest de volmaaktheid bereiken door zijn wil ondergeschikt te maken aan die van zijn hemelse Vader:

“Hij heeft, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit wat Hij heeft geleden”;
“…doordat Hij Zelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun, die verzocht worden, te hulp komen” (Hebreeën.5:8,2:18)

Hij had een sterke affiniteit met zijn hemelse Vader, Die hem de heilige Geest van wijsheid en kracht schonk om zijn taak te vervullen en de overwinning op het vlees te kunnen behalen. Beseffen we wel voldoende dat niet alleen wij een opvoedingsproces moeten doormaken met alle beproevingen van dien? De schrijver van de brief aan de Hebreeën
benadrukt in hoofdstuk 4:15 nogmaals dat Jezus op gelijke wijze als wij is verzocht geweest. Hij had het niet gemakkelijker dan wij, omdat hij van betere afkomst was. Zijn Vader heeft hem niet verwend, zoals mensen hun lievelingetje doen. Integendeel: zei Jezus zelf niet

“van wie veel gegeven is, zal veel geëist worden”? (Lucas. 12:48).

God heeft hem alles gegeven, maar ook alles van hem gevraagd: Zijn gehele leven als dienaar en aan het einde een smadelijk lijden en de schandelijke, pijnlijke dood aan een houten paal.

Het valt uiteraard niet te ontkennen, dat het nogal verschil maakt, of je wordt opgevoed en geleerd door goede of slechte ouders. De Spreuken-dichter houdt zijn zoon het beste voor dat hij kan bieden, maar leert de praktijk niet dat er geen garantie is dat een zoon doet wat zijn vader vraagt? Waren wij altijd gehoorzaam aan onze vaders? Uit het feit dat Jezus mens van vlees en bloed was, volgt dat hij net als wij een vrije wil en dus keuzevrijheid had. Maar hij stemde zijn wil volkomen af op die van zijn Vader en koos bewust voor een leven van dienen, van bereidwillige gehoorzaamheid aan en afhankelijkheid van zijn Vader. Dàt maakt hem tot Diens ware Zoon, Die in alles Zijn evenbeeld is, de weerspiegeling, de afdruk van Zijn Wezen:

“Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (Johannes 14:9).

Hij was Mens, met een hoofdletter. De Mens bij uitnemendheid, zoals God bij de schepping voor ogen had.

Doen we recht aan Jezus, wanneer we de verklaring voor zijn zeer nauwe relatie met zijn Vader zoeken in zijn afkomst?

Wanneer we afkomst belangrijk vinden en zeggen dat hij toch minstens voor de helft de eigenschappen van zijn hemelse Vader moet hebben meegekregen, kunnen we met net zoveel recht zeggen dat hij dan voor de andere helft de menselijke eigenschappen van zijn moeder Maria heeft meegekregen.

Hij had dus evengoed kunnen leven zoals de meeste mensen toen en nu: voor zichzelf. Doen we niet pas ècht recht aan Jezus, wanneer we erkennen dat hij heeft moeten strijden en worstelen om op volmaakte wijze de wil van zijn volmaakte Vader te doen en niet toe te geven aan wat anderen van hem verlangden?
Vroeg Hij niet al op heel jonge leeftijd aan zijn wettelijke ouders:

“Wist u niet dat Ik bezig moet zijn met de dingen van mijn Vader”? (Lucas 2:49).

Maar hij heeft tijdens zijn leven hier op aarde, net als wij, zijn hemelse Vader nooit gezien.

Hij heeft Diens aangezicht moeten zoeken in gebed. Het was Jezus’ bewuste, vrijwillige keuze zijn Vader te gehoorzamen:

“Hier ben Ik om Uw wil te doen” (Hebreeën 10:7).

Al zijn beproevingen moesten aan het licht brengen of hij voldeed aan de eis die God heeft gesteld aan wie de beloofde heerlijkheid zullen beërven. Zijn strijden en worstelen om gehoorzaam te zijn, maakte dat God hem uitermate lief had en
heeft:

“Deze is Mijn Zoon de Geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb” (Mattheüs 17:5).

Eindelijk vond God de rechtvaardige mens, waar Hij zolang vergeefs naar had gezocht. Alle mensen waren tot dan toe Adam gevolgd in het toegeven aan hun begeerten. Allen werden daarom in hem aan de dood onderworpen en kunnen niet komen tot het heerlijke doel dat God had met de schepping van mensen. Het is Jezus die, zoals God David beloofde, hem tot een Zoon zou zijn en God hem tot Vader (2 Samuël 7). Nergens wordt ons een nauwere en intiemere relatie tussen een vader en zijn zoon getoond, dan die tussen God en de heer Jezus. De apostel Johannes zag hem als

“de Eniggeboren Zoon, die aan de boezem van de Vader is” (Johannes 1:18).

Welk een liefde en vriendschap spreekt hieruit! Wij spreken van boezemvrienden wanneer we elkaar volledig vertrouwen. We weten alles van elkaar, houden niets voor elkaar verborgen en delen alles met elkaar. We denken hetzelfde over de belangrijkste zaken en voelen elkaar direct aan. In zulke vriendschappen vormen we een eenheid. Jezus vormde een volmaakte eenheid met zijn Vader:

“Ik en de Vader zijn één”

zei Hij (Johannes 10:30).

Het is zijn vurig verlangen dat ook allen die in hem geloven dat zijn, getuige de slotwoorden van zijn liefdevolle gebed tot de Vader, dat hij vlak voor zijn dood aan een paal uitsprak:

“En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, gelijk U, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat U Mij gezonden hebt.
En de heerlijkheid, die U Mij gegeven hebt, heb ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn. Ik in hen en U in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkenne, dat U Mij gezonden hebt en dat U hen liefgehad hebt, gelijk U Mij liefgehad hebt. Vader, wat U Mij gegeven hebt – Ik wil, dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te aanschouwen, die U Mij gegeven hebt, want U hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging van de wereld. Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en dezen weten dat U Mij gezonden hebt; en Ik heb hun uw naam bekendgemaakt en ik zal hem bekendmaken, opdat de liefde, waarmee U Mij liefgehad hebt, in hen zij en Ik in hen” (Johannes 17:20-26).

J.D.

+

Voorgaande

Vertrouwen, Geloof, Roepen en Toeschrijving aan Jehovah #18 Volbrenging

Ongelovige Thomassen, Jezus en zijn God

Lam van God #3 Tegenover onschuldig dier een onschuldig man #2

Omgaan met zorgen in ons leven

De Dag is nabij #6 Uitzien

Niet gebonden door labels maar vrij in Christus

++

Aanvullend

  1. De Verlosser 1 Senior en junior
  2. Geloof in Jezus Christus
  3. Jezus van Nazareth #2 De zoon van Maria
  4. Het begin van Jezus #2 Aller Begin
  5. Het begin van Jezus #5 Aankondigingsteksten uit de Schrift
  6. Het begin van Jezus #7 Een Nieuwe Adam, zoon van Abraham
  7. Addendum 2: Vlees geworden woord
  8. De Verlosser 2 Zijn goddelijke kant
  9. Een koning die zijn onderdanen wetten oplegt waarvan hij weet dat zij zich er nooit aan kunnen houden
  10. 2017 Nisan 10, uitkijkend naar 14 Nisan
  11. Een losgeld voor iedereen 1 De Voorziening van een tweede Adam
  12. Een losgeld voor iedereen 2 Een verheven persoon van vlees en bloed
  13. Addendum 1: de leer van de “antichrist”
  14. Redding, vertrouwen en actie in Jezus #5 Verblijven in Christus
  15. Betreffende het spirituele lichaam
  16. Strijd leveren

One thought on “Overdenking: De vertrouwelijke omgang van God is met wie Hem vrezen (Psalm 25:14)

Geef een reactie - Give a reaction

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.